Postadres:

Postbus 235
9300 AE Roden



Bezoekersadressen:

Groene Zoom 20a
9301 SJ Roden
of
J.P. Santeeweg 2
9312 PE Nietap



Praktijknummer:

050-501 70 30



Spoednummer:

06-22 43 99 05

Als het anders loopt...


- Bevalling vóór 37 weken
- Dreigend overtijd
- Twijfel over de conditie van je kind
- Bevalling ná 42 weken
- Begeleiding door de gynaecoloog
- Inleiding
- Langdurig gebroken vliezen
- Meconiumhoudend vruchtwater
- Niet vorderende ontsluiting
- Niet vorderende geboorte
- Bijstimulatie
- Geboorte TENS
- Pijnstilling
- Episiotomie
- Vacuümbevalling
- Tangbevalling
- Keizersnee
- Stuitbevalling


Bevalling vóór 37 weken

Als de bevalling begint vóór 37 weken moet je direct bellen met ons spoednummer
06-22 43 99 05!

Soms is het mogelijk om de (dreigende) bevalling nog een paar dagen uit te stellen door middel van een infuus met medicijnen (weeënremmers). In deze periode krijg je vaak ook middelen om de rijping van de longen van je kindje te versnellen.
Soms lukt het niet (meer) om de bevalling uit te stellen en wordt je kindje te vroeg geboren. Een bevalling vóór 37 noemen we een premature bevalling. Afhankelijk van hoeveel te vroeg je kindje geboren wordt, heeft het meer of minder extra zorg nodig. Prematuur geboren kinderen worden bijna altijd opgenomen op de kinderafdeling van het ziekenhuis. Als de bevalling zich aandient vóór 32 weken wordt je verwezen naar een ziekenhuis met een Neonatale Intensive Care Unit (NICU), in onze omgeving het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Op een NICU werken gespecialiseerde artsen en verpleegkundigen om zo de beste zorg te bieden voor jullie veel te vroeg geboren kindje.
Tussen 32 en 37 weken kan je kindje in het ziekenhuis van jullie keuze worden opgenomen op de “gewone” kinderafdeling.
Als jullie kindje op de kinderafdeling of NICU ligt, mag de moeder de eerste paar dagen meestal in het ziekenhuis blijven (als er plaats is). Het kindje ligt dan niet bij de moeder op de kamer!


Dreigend overtijd

Strippen
Als je nog niet bent bevallen bij 41 weken, houden we de conditie van jou en je kind extra in de gaten. Je kunt ons hierbij helpen door te bellen als je veranderingen opmerkt in de beweeglijkheid van je kind. Ook kunnen we vanaf 41 weken proberen de bevalling op te wekken door middel van strippen. Hierbij worden tijdens een inwendig onderzoek de vliezen een beetje losgewoeld van de baarmoederwand. Aan het strippen zijn geen risico’s verbonden. Als je dat wilt, kan het strippen eventueel gecombineerd worden met homeopathie.

Eerder een consult bij de gynaecoloog
Desgewenst kan je al vanaf 41 weken gezien worden door de gynaecoloog. Met name als je je zorgen maakt over de conditie van je kind, doordat hij/zij bijvoorbeeld minder beweegt dan je gewend bent, kan het geruststellend zijn een hartfilmpje (CTG) te laten maken. Soms wordt dat gecombineerd met een echo om de hoeveelheid vruchtwater te meten.


Twijfel over de conditie van je kind

Wanneer wij tijdens de bevalling gaan twijfelen (meconiumhoudend vruchtwater of problemen met de hartslag) over de conditie van je kind, nemen we geen enkel risico! In het geval je nog thuis bent, ga je per ambulance naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. De gynaecoloog zal je kind zo snel mogelijk geboren laten worden, afhankelijk van de situatie kan dat door middel van een vacuüm of keizersnede.
Soms is de bevalling al zo ver gevorderd dat er geen mogelijkheid meer is om naar het ziekenhuis te gaan. In dat geval wordt de bevalling sneller beëindigd door het zetten van een episiotomie (knip) om daarna je kind adequate zorg te kunnen geven.
We volgen elk jaar de bijscholing “reanimatie van de pasgeborene” van het Martini Ziekenhuis, waarna er een toets wordt afgenomen. Ook hebben we voor minimaal 40 minuten zuurstof voor je kind bij ons. De ambulance is binnen 15 minuten aanwezig en brengt je kind, indien nodig, naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Gelukkig komt die situatie zeer zelden voor!


Bevalling ná 42 weken (serotiniteit)

Vanaf 42 weken (je wordt dan serotien genoemd) moet je onder leiding van de gynaecoloog in het ziekenhuis bevallen. Wij zorgen ervoor dat je weet wanneer je naar de gynaecoloog moet en waar je moet zijn.
De gynaecoloog zal, in overleg met jullie, een inleiding plannen. Een inleiding is het opwekken van de bevalling met behulp van een infuus met hormonen die de bevalling op gang zullen brengen. Als de baarmoedermond niet rijp is zal deze eerst gerijpt moeten worden met een lokaal hormoon. Dit wordt bij een inwendig onderzoek ingebracht, meestal in de vorm van een gel.


Begeleiding door de gynaecoloog

Als je door een medische reden in het ziekenhuis onder leiding van een gynaecoloog moet bevallen, hangt het helemaal van de reden af of we mee gaan naar het ziekenhuis.
Als de medische reden al in de zwangerschap duidelijk is (hoge bloeddruk, zwangerschapsdiabetes, meerlingzwangerschap, stuitligging, enzovoorts) is de begeleiding tijdens de zwangerschap al geheel overgenomen. Indien je dat wenst kun je ons ten tijde van de bevalling oproepen als doula.

Als er tijdens de bevalling een medische reden is om de bevalling onder leiding van de gynaecoloog af te maken, gaan we mee naar het ziekenhuis (als de bevalling binnen afzienbare tijd te verwachten is, zoals een niet vorderende geboorte of twijfel over de conditie van je kind).
Bij een medische indicatie in het begin van je bevalling (zoals langdurig gebroken vliezen zonder weeën, meconiumhoudend vruchtwater of niet vorderende ontsluiting) laten we jullie samen naar het ziekenhuis gaan. Je kunt ook dan natuurlijk altijd vragen om doula ondersteuning.
Heb je behoefte aan pijnstilling, dan begeleiden we jullie naar het ziekenhuis en blijven bij jullie tot de pijnstilling werkt.


Inleiding

Een inleiding is het opwekken van de bevalling met behulp van hormonen (Oxytocine) via een infuus. Er zijn vele redenen om de bevalling in te leiden; zoals onder anderen:
- Bevalling ná 42 weken.
- Langdurig gebroken vliezen.
- Hoge bloeddruk.
- Zwangerschapsdiabetes.

De gynaecoloog zal de voor- en nadelen van inleiden met je bespreken. De kans op complicaties is bij een ingeleide bevalling namelijk groter dan bij een bevalling met spontane weeën. Soms is de kans op complicaties bij afwachten echter nog groter. De gynaecoloog heeft inzicht in de risico’s die voor jou en jullie kind van belang zijn bij het wel of niet inleiden.


Langdurig gebroken vliezen zonder weeën

Als je vliezen langer dan 24 uur gebroken zijn en je hebt nog steeds geen goede weeën, dan wordt je naar de gynaecoloog verwezen. Als de vliezen gebroken zijn is de natuurlijke barrière (de vliezen) voor bacteriën, om bij het kind te komen, weg. Hierdoor neemt het risico van het ontstaan van een infectie bij de baby toe. Vandaar dat je naar het ziekenhuis wordt verwezen omdat ze daar de conditie van de baby beter in de gaten kunnen houden.
Wat ze in het ziekenhuis gaan doen is afhankelijk van de conditie van jou en je kindje, maar ook van het ziekenhuis. Meestal zal na uiterlijk 48 uur gebroken vliezen de bevalling worden opgewekt (inleiding).


Meconiumhoudend vruchtwater

Als je kind in het vruchtwater heeft gepoept, spreken we van meconiumhoudend vruchtwater. Het vruchtwater is dan groen of bruin van kleur. Als je vliezen breken en het vruchtwater is groen of bruin moet je altijd direct bellen (dus ook ‘s nachts)!
Meconiumhoudend vruchtwater kan een aanwijzing zijn dat je kind zich niet lekker voelt of zich niet lekker heeft gevoeld. Tijdens de bevalling moet je kind dan ook extra in de gaten worden gehouden. Er wordt continue een hartfilmpje (CTG) van de baby gemaakt. De bevalling vindt plaats onder leiding van de gynaecoloog.


Niet vorderende ontsluiting

Een normale ontsluiting duurt maximaal 12 uur. Dat betekend dat er gemiddeld ten minste 1 cm per uur bij moet komen. Het wisselen van je houding kan de ontsluiting versnellen als deze een beetje vertraagd. Soms verloopt de ontsluiting (veel) langzamer of gaat de ontsluiting helemaal niet verder. We noemen dit onvoldoende vorderende ontsluiting/niet vorderende ontsluiting. Hiervoor zijn vele oorzaken te noemen, zoals:
- Onvoldoende weeënkracht.
- Te veel stresshormonen.
- Onvoldoende ontspanning.
- Afwijkende stand van het hoofdje in het bekken.

Indien er sprake is van onvoldoende/niet vorderende ontsluiting verwijzen we je naar de gynaecoloog (je moet dan dus naar het ziekenhuis). De gynaecoloog zal, afhankelijk van zijn/haar bevindingen, je helpen met bijstimulatie, met pijnstilling of met een combinatie van beide.
Meestal bereik je zo volledige ontsluiting en verloopt de bevalling verder goed. Indien je dat wenst kun je gebruik maken van je verloskundige als doula. Als je geen volledige ontsluiting bereikt, is het soms nodig om een keizersnede te doen.


Niet vorderende geboorte

Bij je eerste kind mag het persen maximaal 2 uur duren, bij je volgende kinderen maximaal 1 uur. Als het persen niet snel genoeg gaat, kunnen verschillende baringshoudingen (Link: Bevalling > Baringshoudingen) uitproberen om alsnog goede vordering te krijgen. Als de geboorte echt stagneert, spreken we van een niet vorderende uitdrijving.
Oorzaken van een niet vorderende uitdrijving zijn onder anderen:
- onvoldoende weeënkracht
- afwijkende stand van het hoofdje in het bekken
- te groot hoofd in verhouding tot het bekken
- enzovoorts
Als er een niet vorderende uitdrijving optreedt verwijzen we je naar de gynaecoloog. Je moet dus naar het ziekenhuis. Meestal wordt in deze situatie een ambulance gebeld.
Afhankelijk van de oorzaak van het niet vorderen van de uitdrijving en de diepte van het hoofdje in het bekken, word je geholpen met bijstimulatie, een vacuüm, een tang of (soms) een keizersnede.


Bijstimulatie

Soms zijn de weeën die je lichaam zelf maakt niet sterk genoeg om de ontsluiting of de geboorte tot een goed einde te brengen. In dat geval krijg je een infuus met hormonen (Oxytocine) om de weeën sterker te maken. Dit noemen we bijstimulatie. Redenen voor bijstimulatie kunnen niet vorderende ontsluiting of niet vorderende uitdrijving zijn.


Geboorte TENS

De Geboorte TENS is een apparaatje dat de weeënpijn voor, tijdens en na de bevalling verlicht. Het werkt op een moderne, lichaamsvriendelijke manier. Zonder medicijnen en zonder risico's voor jou en je kindje.
Er zijn verschillende TENS apparaatjes die je kunt huren of kopen. De kosten hiervan worden door een aantal ziektekostenverzekeraars vergoedt.
Zie ook: www.geboortetens.nl
Als jou verzekeraar de huur van de Geboorte TENS niet vergoedt, maar je zou het apparaat wel graag willen gebruiken, vraag dan naar de mogelijkheden binnen onze praktijk!


Pijnstilling

Als je thuis of poliklinisch bevalt is pijnstilling mogelijk door ontspanning, massage, een warme douche/bad of een TENS apparaat. Als dit onvoldoende blijkt, kun je dit altijd aangeven. We dragen de zorg voor jou en je ongeboren kind over aan de gynaecoloog.
In het ziekenhuis kan de gynaecoloog dan, afhankelijk van de situatie, kiezen voor een ruggenprik (epiduraal) of een Pethidine injectie.
Welke pijnstilling je krijgt is afhankelijk van:
- hoe ver je bent in de ontsluiting
- de conditie van je kind
- de hoeveelste bevalling het voor je is
- de verwachte duur van de bevalling vanaf het moment dat de pijnstilling wordt gegeven

Een injectie Pethidine krijg je in je been en wordt gegeven door de verpleegkundige op de verloskamer.
Een ruggenprik wordt gezet door een anesthesist. Hiervoor moet je in het Martini Ziekenhuis vaak naar een andere afdeling. Je partner kan dan niet mee naar de ruggenprik. In het UMCG wordt de ruggenprik meestal op de kamer zelf gezet. Bij de ruggenprik wordt, na het verdoven van de huid, een slangetje in de rug gebracht waardoor medicijnen kunnen worden gegeven. Hierdoor voel je dan je blaas niet (goed) meer. Je krijgt dus altijd een katheter. Verder krijg je voorafgaand aan de ruggenprik een infuus om te zorgen voor voldoende vulling van je bloedvaten. Een ruggenprik kan namelijk zorgen voor een bloeddrukdaling, dit wordt voorkomen met het infuus.


Episiotomie

Een enkele keer is het nodig om een episiotomie (knip) te zetten om de ruimte voor het hoofdje groter te maken. Vóór het zetten van een episiotomie wordt er een plaatselijke verdoving gegeven. Een episiotomie zetten kan pas op het allerlaatste moment als het hoofdje bijna geboren wordt. Sommige vrouwen vragen om een knip als het persen niet vordert, maar dit heeft geen enkele zin. Met een knip maak je alleen de uitgang groter en dit helpt dus niet als het hoofdje nog hoog zit.


Vacuümbevalling

Bij een vacuümbevalling wordt in de laatste fase van de bevalling een cupje op het hoofdje van je kindje geplaatst. Deze wordt vastgezogen (vacuüm) door middel van een pomp (ook wel pompbevalling). Aan het cupje is een ketting bevestigd, waaraan de gynaecoloog kan meetrekken tijdens een perswee. Bijna altijd wordt er bij een vacuümbevalling een episiotomie gezet om ruimte te maken voor de geboorte.


Tangbevalling

Bij een tangbevalling wordt in de laatste fase van de bevalling met behulp van een tang (forceps), bestaande uit 2 delen (lepels) het hoofdje van het kindje geboren. Bijna altijd wordt hierbij een episiotomie gezet om ruimte te maken voor de geboorte. Een tangbevalling wordt tegenwoordig nog zeer zelden gebruikt.


Keizersnede

Bij een keizersnede (sectio caesarea) wordt, onder algehele narcose of met een ruggenprik, een snee gemaakt onder in de buik, waarna de gynaecoloog je kind via de buik geboren laat worden. Het herstel na een keizersnede is vaak langduriger dan na een “gewone” bevalling. Na een keizersnede moet je een aantal dagen in het ziekenhuis blijven.


Stuitligging

Een kindje dat tegen het eind van de zwangerschap met de billen, in plaats van het hoofd, omlaag ligt, wordt een kind in stuitligging genoemd. Meestal is de oorzaak onbekend. Omstreeks de uitgerekende datum ligt ongeveer 3% van de kinderen in stuitligging. Vaak hebben we het ontdekt bij uitwendig onderzoek en regelen we een echo om de ligging te bepalen. Soms hebben we allemaal gedacht dat het goed lag en ontdekken we het pas bij de bevalling. In dat laatste geval moeten de aanstaande ouders snel beslissen of ze het kindje gewoon vaginaal geboren laten worden of toch middels een keizersnede.

Meestal kan een kind in stuitligging gewoon vaginaal geboren worden. De bevalling gebeurt dan onder begeleiding van een gynaecoloog in het ziekenhuis. In Nederland hebben de gynaecologen een aantal voorwaarden afgesproken waaronder een kind in stuitligging vaginaal geboren kan worden.
Als de stuitligging vroeg ontdekt is, krijg je de mogelijkheid om het kindje te laten draaien door een gynaecoloog in het Martini of een verloskundige (in Kollum). Dit om de kans op een vaginale bevalling in hoofdligging te vergroten en de kans op een keizersnede dus te verkleinen.

Uitwendige versie (= het draaien van een kind in stuitligging)
Voor 36-37 weken zwangerschapsduur draaien veel kinderen zelf nog tot een hoofdligging. Het is dan ook verstandig pas na deze termijn het kindje te draaien. Soms wordt het advies gegeven iets eerder of later te draaien, meestal afhankelijk van de hoeveelheid vruchtwater. Wanneer de stuitligging later ontdekt is, kan tot aan de bevalling het draaien bijna altijd geprobeerd worden.
Het gaat als volgt: In het Martiniziekenhuis wordt je een halve dag opgenomen. Voordat men met draaien begint, controleert de arts de hartactie van je kind, door het maken van een hartfilmpje (ctg) en de ligging van het kind, door middel van een echo. Het is belangrijk dat je zo ontspannen mogelijk ligt en de buikspieren niet aanspant; voor het draaien goed uitplassen helpt daarbij.
Als je een goede houding hebt gevonden, pakt de verloskundige of arts het kindje uitwendig vast. Eerst worden de billen uit het bekken gelift. Daarna probeert de arts met een hand de stuit omhoog en met de andere hand het hoofdje naar beneden te bewegen. Het kindje moet als het ware kopje duikelen onder de handen van de verloskundige of arts. De duur van het draaien kan verschillen, van minder dan 30 seconden tot 5 minuten.
In het Martiniziekenhuis werken twee artsen waarbij het slagingspercentage vrij hoog ligt. We doen ons best om je bij hen in te plannen. Het lukt niet of minder goed als de placenta op de voorwand ligt of het kindje al diep ingedaald is.
Bij een verhoogde bloeddruk of een litteken in de baarmoeder wordt vaak besloten het niet te proberen.

Mogelijke gevolgen of complicaties Voor de moeder is de kans op complicaties zeer klein. De buik kan door het duwen een paar dagen gevoelig zijn. Dat is vervelend maar kan geen kwaad.
Na het draaien is de hartslag van het kindje soms wat trager maar bijna altijd wordt deze vanzelf weer normaal. Een heel enkele keer (bij minder dan 1%) blijven de harttonen afwijkend en is het eventueel nodig direct een keizersnede te verrichten.

Als het gelukt is om jouw kind te draaien, kun je in principe gewoon onder leiding van een verloskundige bevallen, al dan niet thuis. Als het kindje uit zichzelf weer terug is gedraaid naar een stuitligging kan overwogen worden opnieuw te proberen te draaien. Blijft het kind in stuitligging liggen dan moet je in het ziekenhuis onder controle blijven voor de zwangerschap en de bevalling.

Wanneer bellen?
Of het wel of niet gedraaid is: bij toenemende buikpijn, bij bloedverlies of als je het kindje minder voelt bewegen, moet je contact opnemen met de dienstdoende op
06-22 43 99 05.

Anti-D Wanneer je bloedgroep rhesus-negatief is, dan krijg je na afloop van een versiepoging een injectie met anti-D. Het maakt niet uit of het nu gelukt is het kindje te draaien of niet. Voor meer informatie over een rhesus negatieve bloedgroep, klik hier.


De vaginale bevalling bij een stuitligging

Een stuitbevalling kent net als een bevalling van een kind in hoofdligging drie verschillende perioden: de ontsluiting, de geboorte en de periode na de geboorte.

De ontsluitingsfase bij een stuitbevalling verloopt vaak iets anders. Bij een stuitligging liggen de billen, benen of voeten beneden en drukken op de baarmoedermond. Omdat deze kleiner zijn dan het hoofd kunnen deze al door de baarmoedermond zakken en persdrang geven voordat er volledige ontsluiting is. Bij een stuitbevalling kan persdrang daarom eerder ontstaan dan er volledige ontsluiting is en mag je soms pas later persen.
Het persen verloopt hetzelfde als bij een kind in hoofdligging. Aan het einde, als het lichaam van je kind geboren is tot ongeveer halverwege, vraagt de gynaecoloog je te zuchten en te stoppen met persen. In de volgende wee kan het hoofd dan in één keer geboren worden. Bij de geboorte van het hoofd drukt vaak de assistent boven je schaambeen, om ervoor te zorgen dat het hoofd goed door het bekken gaat.
Bij een stuitbevalling maakt men altijd een “dwarsbed”; het voeteneind van het verlosbed wordt weggehaald en je plaatst je benen in de beensteunen.

Bij een kind in onvolkomen stuitligging (billen zijn het diepst, beentjes omhoog) worden eerst de billen geboren, daarna de rest van het lichaam en tot slot het hoofd. De geboorte van een kind in volkomen stuitligging verloopt hetzelfde, maar dan worden eerst één of twee benen geboren.
Controle van de hartslag kan gewoon plaatsvinden, of uitwendig via de buik, of inwendig via elektrodedraadjes op de bil van je kind.

Mogelijke complicaties bij de moeder De kans op complicaties voor de moeder is bij een bevalling in stuitligging niet groter dan bij een bevalling in hoofdligging. Alleen wordt er vaker een knip (episiotomie) gezet om meer ruimte te maken. Wel is er meer kans dat de gynaecoloog tijdens de bevalling besluit tot een keizersnede, omdat er andere grenzen in snelheid gehanteerd worden.

Mogelijke complicaties bij de baby Kinderen in stuitligging die gewoon (vaginaal) geboren worden, worden vaker kort na de geboorte op de couveuseafdeling opgenomen (5%) dan kinderen die geboren worden na een hoofdligging. Er bestaan verschillende redenen voor zo'n opname. Soms heeft het kind na de geboorte behoefte aan extra zuurstof of moet geholpen worden bij de ademhaling. Een andere reden voor een opname op de couveuseafdeling, is een beschadiging die bij de geboorte is opgetreden, zoals een botbreuk, een zenuwbeschadiging of een hersenbloeding. Een dergelijke beschadiging komt zelden voor (bij ongeveer 1% van alle kinderen in stuitligging) maar ongeveer tweemaal vaker na een gewone bevalling dan na een keizersnede.

Na de bevalling Op de lange termijn is er geen verschil in het risico op sterfte en is de ontwikkeling van een kind in stuitligging door middel van een keizersnede gelijk aan die van een kind in stuitligging vaginaal geboren.

De keizersnede bij een stuitligging

Voor algemene informatie over de keizersnede: klik hier.

Mogelijke complicaties bij de moeder
De kans op ernstige complicaties ten gevolge van een keizersnede is voor gezonde zwangeren heel erg klein, maar toch altijd groter dan na een gewone bevalling.
Het gaat hier om niet-levensbedreigende complicaties. Sommige, zoals bloedarmoede of trombose, komen ook na een gewone bevalling voor. Andere, zoals een nabloeding in de buik, een bloeduitstorting of wondinfectie, een beschadiging van de blaas of het niet goed op gang komen van de darmen, hangen samen met de keizersnede. Ook een blaasontsteking komt na deze operatie vaker voor dan na een gewone bevalling. Pijn als gevolg van een zenuwbeschadiging bij de bikinisnede is een zeer zelden voorkomende complicatie van een keizersnede.

Mogelijke complicaties bij het kind
Een enkele keer is het bij een keizersnede moeilijk een kind dat in stuitligging ligt, uit de baarmoeder te halen en kan een (zenuw)beschadiging optreden. Wanneer de keizersnede te vroeg in de zwangerschap wordt gepland, om zo een spontane bevalling te voorkomen, kan het kind longproblemen waarvoor opname op de couveuseafdeling noodzakelijk is. Hierom wordt de keizersnede wegens stuitligging in principe niet voor 38 weken uitgevoerd.

Na de keizersnede, gevolgen voor latere zwangerschappen
Het litteken in de baarmoeder is een nadeel bij een volgende bevalling. Je krijgt na een keizersnede een medische reden om in het ziekenhuis te bevallen omdat het litteken een verhoogde kans op complicaties tijdens een volgende bevalling met zich meebrengt. Voorbeelden daarvan zijn: het openscheuren van het litteken, een voorliggende moederkoek of een moederkoek die heel vast met de baarmoeder vergroeit is, zodat (zeldzaam) een baarmoederverwijdering noodzakelijk is. Hoewel deze complicaties zelden voorkomen, treden ze vaker op na een keizersnede dan na een gewone bevalling.